Staatsmijn Wilhelmina
Staatsmijn Wilhelmina (1906 - 1969).
Productie: 59.235.000 ton.
Locatie van het mijnterrein: Terwinselen, Kerkrade
Aantal Schachten: 2
Staatsmijn Wilhelmina: De Pionier van de Mijnstreek
De Staatsmijn Wilhelmina neemt een bijzondere plaats in de Nederlandse geschiedenis in. Als de oudste en tevens kleinste van de vier Staatsmijnen, vormde zij het fundament voor de staatsexploitatie van steenkool in Limburg.

Een bescheiden concessie

Terwijl de latere Staatsmijnen Emma, Hendrik en Maurits over uitgestrekte concessievelden beschikten, was de Wilhelmina letterlijk ingeklemd. Haar werkgebied grensde direct aan de particuliere mijnen Laura, Oranje-Nassau IIen de Domaniale Mijn. Hierdoor kon de mijn na enkele decennia niet meer in de breedte groeien; de enige weg om de productie op peil te houden, was de diepte in. De Wilhelmina richtte zich, net als haar buren, hoofdzakelijk op de winning van hoogwaardige huisbrandkolen (antraciet).

De roep om onafhankelijkheid

Aan het eind van de 19e eeuw keek de Nederlandse regering met bewondering naar het succes van de gebroeders Honigmann en Henri Sarolea, de grondleggers van de Oranje-Nassau mijnen. Er rees echter een belangrijke politieke vraag: moest de winning van deze vitale brandstof wel in buitenlandse handen blijven? De bestaande mijnen waren destijds immers grotendeels in Duits (Oranje-Nassau) of Belgisch (Laura & Vereeniging) bezit.
Geïnspireerd door dit private succes, stelde de regering een commissie in om de wenselijkheid van staatsexploitatie te onderzoeken. Het advies was glashelder: een eigen staatsmijn zou Nederland minder afhankelijk maken van buitenlandse ondernemingen en geopolitieke verschuivingen.

De geboorte van de Staatsmijnen

Nadat minister Lely het plan met succes door het parlement had geloodst, werd op 1 mei 1902 het bedrijf "Staatsmijnen in Limburg" officieel opgericht. De eer om de eerste directeur te worden, viel te beurt aan J.H. Wenckebach. Hij was een visionair industrieel die later ook de basis zou leggen voor de Nederlandse staalindustrie met de stichting van de Hoogovens (het huidige Tata Steel).
Onder zijn leiding begon het tijdperk van de Wilhelmina, waarmee een nieuwe fase van welvaart en bedrijvigheid voor Terwinselen en omstreken werd ingeluid.
Foto: Peter Lenaerds

J.H. Wenckebach
J.H. Wenckebach
grondlegger van Staatsmijnen.

De Expansie van het Oranje-Imperium onder de Grond
De eerste mijn, trots vernoemd naar de toenmalige koningin Wilhelmina, sloeg haar wortels in de concessie "Ernst" in Terwinselen. Terwijl de buurmannen, de gebroeders Honigmann, hun plannen smeedden voor de aangrenzende concessie "Carl" (de latere ON-II), begon de Wilhelmina in 1906 officieel met de productie. Hoewel zij altijd de 'benjamin' onder de Staatsmijnen bleef, was haar rol cruciaal: zij leverde de broodnodige magerkool voor de kachels van de Nederlandse huishoudens.

Een familie van mijnen

Na het succes in Terwinselen volgde de rest van de koninklijke familie in hoog tempo:
  • Staatsmijn Emma (1911): Vernoemd naar de koningin-moeder en gevestigd in Hoensbroek.
  • Staatsmijn Hendrik (1918): Vernoemd naar de echtgenoot van Wilhelmina en aangelegd in Rumpen (Brunssum).
  • Staatsmijn Maurits (1923): Vernoemd naar de beroemde 17e-eeuwse stadhouder en gevestigd in Lutterade-Geleen.
Er werd in 1954 zelfs nog begonnen aan een vijfde mijn, de Beatrix, vernoemd naar de toenmalige kroonprinses. De aanleg bij Herkenbosch werd echter in 1962 definitief gestaakt, nog voordat er een gram steenkool naar boven was gekomen.

Van kachelbrandstof naar chemische wereldmacht

Er was een wezenlijk verschil tussen 'jouw' Wilhelmina en de andere mijnen. Waar de Wilhelmina magerkoolproduceerde — ideaal als huisbrand voor de burgerij — haalden de Emma, Hendrik en Maurits hun schatten van veel grotere diepte. Deze kool was vet en gasrijk, wat hem ongeschikt maakte voor de kachel, maar perfect voor de industrie.
Dit leidde tot een enorme technologische sprong:
  1. Cokesfabrieken: Bij de Emma (1914) en later de Maurits verrezen enorme fabrieken om de vetkool om te zetten in cokes en gas.
  2. Chemische revolutie: De bijproducten van dit proces legden de basis voor de chemische tak van de Staatsmijnen. In Geleen groeide naast de Maurits een gigantisch complex van fabrieken.
  3. De geboorte van DSM: In de jaren '60 versverschoof de focus volledig. De productie van kunstmest, plastics en grondstoffen voor nylon werd belangrijker dan de kolenwinning zelf. Dit leidde er uiteindelijk toe dat de "Nederlandse Staatsmijnen" in de jaren zeventig hun naam veranderden in het huidige DSM.

De diepste schachten

Hoewel de mijnen al lang gesloten zijn, blijft de erfenis van DSM als chemiegigant voortbestaan. De Wilhelmina mag dan de kleinste zijn geweest, zij was de enige die met haar specifieke magerkool direct warmte bracht in de Nederlandse huiskamers, terwijl haar 'grote broers' de basis legden voor de moderne chemische industrie.
Productie cijfers

productie

ON I

Heerlen
particulier

3

471 m

magerkool

1899-1974

31.978.000 ton

ON II

Schaesberg
particulier

2

477 m

magerkool

1904-1971

34.064.000 ton

ON III

Heerlerheide
particulier

1 (+1 ON-IV)

844 m

magerkool

1917-1973

38.265.000 ton

ON IV

Heksenberg
particulier

1

740 m

magerkool

1927-1966

13.754.000 ton

Laura

Eygelshoven
particulier

2

748 m

magerkool

1905-1968

31.885.000 ton

Julia

Eygelshoven
particulier

2

568 m

magerkool

1926-1974

31.963.000 ton

Willem-Sophia

Spekholzerheide
particulier

5

651 m

magerkool

1902-1970

22.678.000 ton

Domaniale

Kerkrade
gepacht van Staat

6

802 m

magerkool

1815-1969

37.990.000 ton

Wilhelmina

Terwinselen
Staat

2

823 m

magerkool

1906-1969

59.235.000 ton

Emma

Treebeek
Staat

4

980 m

vetkool

1911-1973

109.032.000 ton

Hendrik

Rumpen
Staat

4

1058 m

vetkool

1915-1963

61.203.000 ton

Maurits

Lutterade
Staat

3

895 m

vetkool

1926-1967

96.214.000 ton

Beatrix

Herkenbosch
Staat

2

700 m

vetkool

-

0 ton

Totaal



37




568.261.000 ton

RapidWeaver Icon

Webdesign Viviënne Crutzen