Historie Terwinselen

Weetje van en over Terwinselem

Misdienaars

Misdienaar in Terwinselen van 1942 -1946

Mijn naam is Hub Beckers. Mijn ouders woonden samen met uiteindelijk 8 kinderen van 1932 -1946 in de Hubertuslaan 17 in Terwinselen.Mijn vader, Jo Beckers was Chef van het Kolenlaboratorium  van de Staatsmijn Wilhelmina.
In 1946 hebben we Terwinselen verlaten omdat mijn vader overgeplaatst werd naar het Centraal Proefstation van de Staatsmijnen in Hoensbroek op de terreinen van Staatsmijn Emma.

Ik ben in 1933 geboren en heb de kleuterschool bij respectievelijk zuster Gilda, zuster Theofilis en zuster Oresta doorlopen en de lagere school bij juffrouw Haene,juffrouw van Montfort, meester Hoepermans, meester Smeelen, meester Toussaint en meester Bours het hoofd van de jongensschool.

Tijdens de eerste klas van de lagere school, 5 dagen na mijn eerste communie brak de 2de wereldoorlog uit.
In de derde klas bij meester Hoepermans werd ik uitverkoren om misdienaar te worden. In die tijd was Hubert Spierts pastoor en de kapelaans waren Pfennings en Peeters.
De misdienaars kregen een gedegen opleiding van Piet Engels ( de latere Staatssecretaris van Onderwijs) uit de Hubertuslaan en Niek Werker uit de Rukkerweg.
De praktische en theoretische opleiding duurde enkele weken. Vooral de Latijnse teksten (die ik overigens nu nog vlekkeloos van buiten ken) zonder fout leren opzeggen viel niet mee.
Het allereerst een mis mogen dienen was een grote gebeurtenis. Je begon als”linkse”misdienaar, die had nog niet zoveel verantwoording, in een stille mis door de week om 6.30 of 7.00 uur.
Om 7,45 uur was elke dag ook nog een mis, vaak een gestichte jaardienst met orgelmuziek en Gregoriaans, uitgevoerd door de koster Lejeune, die hard moest rennen om van de sacristie op tijd op het doksaal te zijn.
De Hoogmis op Zondag begon met het “Asperges me”, of in de Paastijd het ”Vidi Aquam”, waarbij je voor de  priester uit met de wijwaterspot tot achter in de kerk en weer terug moest lopen.

Ik herinner me nog heel goed die koude winterdagen, dat je om 6.00uur je warme bed uit moest, wassen en aankleden in een steenkoud huis, zonder eten of drinken, te voet naar de kerk, alleen in het donker. Ook de kerk was steenkoud. Voor de mis moesten we van de koster de kaarsen aansteken op het altaar, nadat we onze togen en superplies hadden aangetrokken.

Tijdens de mis moest je goed oppassen dat er niks verkeerd ging: je gebeden op tijd en in de goede volgorde opzeggen, het kussen aan de voet van het altaar tijdig wegpakken en terugleggen, tussen epistel en evangelie het boek omdragen zonder te struikelen of, nog erger, te vallen, op de juiste tijdstippen te bellen, de ampullen met water en wijn aandragen bij de offerande, en daarna het doekje en het water bij de handwassing en later na de communie nog eens.

Onder de misdienaars bestond een strenge hiërarchie, De nieuwkomers hadden in ieder geval niets te vertellen. In het eerste jaar kwam je tijdens een plechtig lof of een plechtige hoogmis  niet verder dan als kandelaardrager gedurende bijna de hele dienst opzij van het altaar (twee tegenover twee) te zitten, doodstil en met een plechtig gezicht. De hoogste in de pikorde mocht altijd met het wierookvat zwaaien. In mijn tijd waren dat Niek Ploum en een zekere Douven (de rooie).
Geweldig imposant waren de Drie Herenmissen met wel 10 a 12 misdienaars, Daar werd dagenlang op geoefend o.l.v. de eerder genoemde Piet Engels en Niek Werker. Zij zorgden ook voor de taakverdeling, zeg maar opstelling.

Al het koperwerk, wierookvaten, bellen, scheepjes, kandelaars en de wijwateremmer, kregen we mee naar huis om te koperpoetsen. Bij de zusters werden de superplies gewassen en gesteven, plooitje voor plooitje. De rode togen werden uit de mottenballen gehaald en aangepast.

Buiten de normale groep misdienaars, werden ook de misdienaars van de kapel van het zusterklooster soms ingeschakeld, Harry Mulders + en Loek Engels (broer van), beiden uit de Hubertuslaan. Zij dienden normaal alleen bij de zusters waar pastoor Keybets in emeritaat de dagelijkse mis las.

Ook de processie op kermiszondag  was voor ons  een imposante gebeurtenis, tot dat de bezetter deze verbood.

Ook herinner ik me de eerste mis van Theo Bours zoon van ons hoofd van de school. Wat een geweldige gebeurtenis voor onze parochie.
Zo ook de dood en begrafenis van emeritus pastoor Keybets, eerder vernoemd,
Deze Keybets was een neef van pastoor Spierts en familie van de Keybertsen van de Winselerhof.

Interessant waren voor ons ook de begrafenismissen door de week. Dan hoefden we pas na de dienst naar school. Wat een privilege!

De Kerstviering was ook steeds bijzonder. Eerst de plechtige Nachtmis, direct gevolgd door nog twee stille missen, waarin door her volk kerstliederen werden gezongen. Dit begon om 4 uur in de morgen en duurde minstens 2 uur. Tegen zessen kwam je dan eindelijk thuis, hongerig, dorstig en stijf van de kou, Lekker in de warmte en gezelligheid van het huisgezin in kerstsfeer.

In het voorjaar had je de Kruisdagen, waarbij gedurende drie ochtenden al biddend en zingend door de velden werd getrokken van het nog tamelijk landelijk Terwinselen.

In de mei- en oktobermaand was elke avond lof, (evenals elke Zondagnamiddag).
Die sfeer in de kerk tijdens het lof voel ik nu nog.

Ook  de paasweek was enorm druk.  Vanaf witte Donderdag t/m Paasmaandag waren we dagelijks aan de bak, 5 dagen aan een stuk. Op Witte Donderdag, na het plechtige Gloria met klokgelui en continue bellen, werden i.p.v. de bellen de ratels gebruikt, elk jaar weer een lugubere ervaring.
Vooral de zaterdag moesten we heel vroeg uit de veren, om 5 uur begon  de wijding van het licht, het vuur en het doopwater.
In de paasweek gingen de misdienaars naar oud gebruik met de ratels langs alle huizen van de parochie om eieren of geld op te halen
De eieren gingen naar de armen, het geld mochten we houden om onze jaarlijkse uitstap te financieren.
Bij een boer in de omgeving werd dan een knol met platte wagen gehuurd en daarmee trokken we  al zingend naar b.v. het Vijlenerbos om daar te wandelen, spelletjes te doen en te picknicken.

Al deze ervaringen en anekdotes  moeten geprojecteerd worden op de oorlogsjaren waarin we leefden, met vele nachten vol angst, biddend, in de kelder, koud en vochtig, slaperig en terugverlangend naar het warme bed. Het steeds groter wordend gevaar, de fanatieke druk van de bezetter op de bevolking, gepaard gaande met een steeds lagere levensstandaard, door gebrek aan kleding, schoeisel en voeding. Gelukkig was het einde van de oorlog in zicht.

Op Zondag 21 september 1944 diende ik bij pastoor Spierts de hoogmis om 10 uur. Nog voor de mis was gedaan, kwam er iemand de kerk binnen gestormd, al roepend:”We zijn bevrijd, de Amerikanen zijn er” Ik weet niet meer hoe die mis is geëindigd, wel weet ik dat ik enkele minuten later met toog en al voor het huis van dokter Michels stond, op het muurtje, naast de vlaggenmast, waar de roodwitblauwe vlag al wapperde, ter verwelkoming van de naderende  Amerikanen. Plotseling werd er geschreeuwd: “de Duitsers komen terug”. Inderdaad, vanuit Onderspekholz hoorde ik ze schieten. Als een razende heb ik toen de vlag van dokter Miechels gestreken, onder mijn toog gestopt en achter het muurtje dekking gezocht tegen enkele in het wild schietende Duitse pantserwagens, die door de Schaesbergerweg via de Tunnelweg richting Strijthagen reden.
Ik ben van mijn leven nog nooit zo bang geweest, biddend dat me niets zou overkomen. In de Tunnelweg zijn toen wel slachtoffers gevallen. Ik meen dat toen zelfs een jongen Schlicher is doodgeschoten, nota bene op de voor ons allerlaatste dag van de oorlog.(17-09-1944)

Direct na de oorlog werd de hele jongens- en meisjesschool door de Amerikanen omgebouwd tot een groot militair hospitaal. De velden van RKTSV en de weilanden er om heen, die weer aan onze tuin grensden, werden een groot tentenkamp voor de militairen en parkeerplaats voor hun voertuigen. Twee trimesters zijn we niet naar school geweest. In plaats van gewone misdienaar in de parochiekerk werd ik misdienaar van de legeraalmoezenier van het ziekenhuis.

Al bij al een prachtige tijd voor een vrijbuiter als ik. Nauwelijks elf jaar, geen school, de hele dag buiten tussen de militairen, vooral in hun keuken, bietsend en kattenkwaad uithalend, dingen lerend waarvoor we eigenlijk nog niet rijp waren, maar spannend was het wel. Een jongensparadijs.

Maar aan alles komt een einde. Met Pasen 1945 gingen we voor nog een trimester naar school en was mijn Lagere Schooltijd gedaan.
Daarna vertrok ik naar Rolduc, in mijn ogen ver van huis en haard, waar ik nooit meer zou terugkeren omdat mijn vader werd overgeplaatst naar Staatsmijn Emma in Treebeek.

Susteren, 25 februari 2007

Hub Beckers
Gregoriuslaan 21
6114NK