Historie Terwinselen

Weetje van en over Terwinselem

D'r Werner II

Wij woonden vroeger Maarstraat 52, en je had in die tijd nog echte tuinen. 35 meter lang en 10 meter breed. Met een gezin van 7 kinderen werd er natuurlijk veel groente gekweekt, want met het hongerloontje wat een bovengronder op de mijn kreeg kwam je niet ver. Dus werden er groente in die tuin gezet die je goed kon in maken en in mij herinnering, bestond die tuin dan ook hoofdzakelijk uit bonen, bonen en nog eens bonen. want bonen kon je goed inmaken. Maar als je een beetje van tuinieren weet, dan weet je dat bonen alleen maar groeien als ze veel stikstof kregen. En als je elk jaar dan op dezelfde stukken grond bonen werden gezet, dan raakte de grond al snel uitgeput. Nu hadden we zelf wel 12 kippen en die produceerde ook wel mest en mijn vader deed ook altijd koren zaaien in het najaar, om die dan in het voorjaar onder te spitten, maar dat was niet genoeg. want hoe ging dat. Men zette al vroeg in het jaar februari maart, erwten en als de erwten er uit gingen na de ijsheiligen, dan werden de bonen gezaaid, want 0 graden vorst was al funest voor bonen. Zowel de erwten als de bonen hadden stikstof nodig. De leverancier van het tekort, was Melkboer Hollands. Achterom in zijn hof had hij een grote stal staan met 4000 kippen. Een keer per jaar gingen we naar Hollands met een karretje (het onderstel van een kinderwagen) een buut er op en dan haalden we 3 tot 4 karren mest weg. Die we dan door de oude Maar en het stukje Maarstraat naar huis zeulde. Ik ging mee om de kar vast te houden. Van het verover bukken, had ik het 's avonds pijn in mijn rug.

De bonen kwamen bij ons de oren uit. Niet alleen het eten in de winter er van, hoewel mijn moeder genoeg variaties had om ze te bereiden, hadden we heel vaak bonen op het menu staan. Sniepelboene en prinsesse, was het hoofdzakelijk en soms franse haricots of zoiets. Witte bonen als de man op de markt hem die had aangepraat, maar als in de winter de nodige inmaakglazen open gingen werden die niet meer gezet. We hadden ook nog miemele, kroesjele en rabarber en niet te vergeten een wilde rozenstruik die ik eens op het bergje gevonden heb, werden ook ingemaakt of jam van gemaakt. Natuurlijk werd er een beetje sla gezet en wat radijsjes en de rest weet ik niet meer zo. Ook dat wat mijn vader niet zou planten dat weet ik wel nog. Aardappelen, tomaten, dat was te veel werk, dieke boene, die vond hij niet lekker, bruine bonen en stekke boene zette hij ook niet, de reden van de laatste 2 ontging me. Voor de rest stond het er wel in, maar 80 % boene, ik krij nu nog een lamme arm van het draaien van het molentje, of het punten van de boonjes die dan in stukjes gesneden moesten worden, dan de inmaakglazen in en in de stal op het vuur in een inmaakketel 2 rijen op elkaar gekookt en in de kelder op rekken bewaart. 1 keer per week, keek mijn moeder de glazen na, of er tussen zaten die open waren gegaan. die open waren werden het eerste opgemaakt, dus dan had je wel eens, dat je een hele week bonen at, maar meestal 1 of 2 keer per week.

Bron: Vincent

D'r Werner

Werner  Hollands was ook onze melkboer, wij woonden in de Mariastraat op nr. 21
Elke dag, of om de 2 dagen kwam hij trouw. Op een dag zei hij dat hij een week niet zou komen, omdat hij met zijn gezin naar Zeeland op vakante zou gaan. Ik was toen ongeveer 9 jaar. Dat had ik goed in mijn oren geknoopt, want mijn vriendin Els Tans ging met het hele gezin ook op vakantie naar Zeeland. Ma Tans zei tegen mij, Leentje je mag ook wel meegaan, maar het busje is helemaal vol (8 kinderen + bagage), maar als je op eigen gelegenheid kunt komen, dan hebben we wel een plekje voor jouw. Mijn moeder zag het natuurlijk niet zitten om mij alleen met de trein of zo te laten gaan. Maar...nu ging Werner...dus ik vroeg of ik mee mocht rijden. En die goeie Werner zag daar geen probleem in.

Zondagochtend, om 7 uur werd ik opgehaald. Mijn moeder had een grote boerenmetworst, een fles Els (lievelingsdrank van Pa Tans) en nog wat snoepgoed voor de kinderen gekocht. Klein koffertje mee en daar vertrok ik, samen met Werner, zijn vrouw, een dochtertje en zoon. In Roosendaal werd gestopt. We gingen naar de kerk, het was immers zondag. Een oudere dame voegde zich bij ons en stapte ook in de auto (Waarschijnlijk een familielid van Werner). Ik weet nog dat ze aan Werner vroeg; "wat moet
dat kind dat steeds met ons meeloopt?" Werner vertelde dat ik in hetzelfde dorp woonde en met zijn melk was groot geworden en dat hij mij moest afzetten op een dijk in Cadzand. Zo geschiede... De familie Tans keek of ze water zagen branden, toen ze Leentje Koonen in de namiddag met een metworst, een fles Els en haar badpak onder de arm op die
zondagmiddag binnen zagen wandelen. De vraag "hoe ben je hier gekomen?" En mijn antwoord; ". . . met de melkboer", heb ik nog heel lang moeten horen.
Maar ik zag wel de zee en dat was een onvergetelijke ervaring. Dat had ik toch maar mooi aan onze melkboer Werner te danken.

Bron: Lenie Koonen.