Hier de letterlijke tekst van pastoor Spierts uti het jaarverslag.
" 26 april 1934"
De clou van dit jaar was voor de parochie het eerste bezoek van onze vader-bisschop (Gulielmus Lemmens) aan Terwinselen. "Parate viam domini" (bereid de weg van de Heer) was letterlik vervuld , doordat tevoren alle terreinen der kerk welke nog open lagen met ijzeren palen en draad werden afgerasterd, terwijl er ligustrum achter geplant werd. Dagen tevoren was de bevolking in spanning, de anderdenkenden al evenzeer. De versieringen langs den helen weg vanaf de Hofstraat tot aan de kerk, waarvoor de prachtige kiosk hoog opgesteld stond, waren inderdaad keurig. Het weer werkte buitengewoon mede. Toen vader-bisschop om half vier afgehaald werd door al de verenigingen der parochie, en hij na het defilé in een wagen, met een vierspan voortgetrokken, had plaatsgenomen,werd het een zegetocht door een zee van enthousiasme. Vanaf de hoge tribune weerklonk eerst de welkomsgroet door den herder der parochie, dat een weerklank vond in een machtig "ecce sacerdos magnus" achtstemmig door den koster-organist Willy Ploum voor deze gelegenheid gecomponeerd. Het eenvoudige hartelike woord van den bisschop sloeg bij allen in, en toen hij de honderden rondom verzocht op de knieën te gaan zitten, deden de niet-katholieken spontaan mee, om den bisschoppeliken zegen te ontvangen.

Na een plechtig lof werd aan de vormelingen, waaronder een tien-tal volwassenen, het H. Vormsel toegediend. Later verenigden een kleine 20 personen zich rondom den bisschop voor een feestelik avondeten. Hierbij was ook de burgemeester M Quaedvlieg uit Schaesberg aanwezig, die den volgenden dag zijn ambt neerlegde. De eerstvolgende dagen was het bezoek van den
"beminneliken" bisschop het gesprek van den dag. Andersdenkenden moesten getuigen, dat ze tot tranen geroerd waren geweest. Natuurlik waren vooral de kinderen "vol" van lof en bewondering."


Dit blad gaat over de priesterwijding van Hubèrt Delnoij.
Hier enkele gegevens
Zijn voornaam: Hubèr.
Geboren 24 juli 1928.
Hij is overleden op 11 juni 2002.
Hij was achtereenvolgens kapelaan in Nieuwenhagen en Chêvremont.
Daarna vlootaalmoezenier bij de Koninklijke Marine in Nederlandse kazernes, op zee en op Aruba.
Toen hij zijn eerste mis vierde in Terwinselen - pasen 1955 - was er nog een neomist in Terwinselen, n.l. Frans Heckman uit de Hubertuslaan.
Dat was dus 2 dagen achter elkaar groot feest in het dorp.
Zo'n neomist werd daags tevoren bij de parochiegrens afgehaald en naar zijn ouderlijk huis begeleid.
Op de dag zelf werd hij begeleid naar de kerk en na afloop weer thuisgebracht.
En wie deed daar aan mee?
Ik heb nog het overzicht van het organisatie-comité, waarop de verenigingen vermeld staan, die meededen.
De organisatie bij “ons” feest was in handen van Harrie Savelkoul en Paul Paulussen, allebei uit de Vloedgraafstraat en Nout Hendriks uit de Schaesbergerstraat.
Dit overzicht betrof dus beide neomisten.
Best wel interessant om te zien hoe het vroeger in het "Rijke Roomse Leven" toe ging.
Als je die opsomming zo ziet en bedenkt dat er ook nog een heleboel mensen langs de weg toekeken, zou je je af kunnen vragen: “Wie was er dan nog thuis”.
De foto's gaan over Hubèrt Delnoij. Maar over Frans Heckman vond ik het volgende:
In Nijmegen is overleden de 66-jarige pater Frans Heckman, montfortaan. Hij was sinds 1988 jaar voorzitter van de toen 50-jarige 'Bond zonder naam', de organisatie van pater Henri de Greeve voor moreel reveil en voor hulp bij vele vormen van verborgen nood. Vorig jaar pleitte Heckman in Trouw voor de instelling van een Henri de Greeveprijs. Heckman, een flamboyante Zuidlimburger, was vele jaren cursusleider van de volkshogeschool voor boeren en tuinders, Ons Erf, in Berg en Dal.














IN MEMORIAM
PASTOOR H. SPIERTS
Een groot en
merkwaardig priester
Met het overlijden van pastoor H. Spierts is een groot en merkwaardig priester uit,ons midden weggegaan. Van kardinaal Mercier was bekend het gezegde, dat hij geen schablonefiguur wilde zijn doch een persoonlijkheid. Men kan dit ook op pastoor Spierts toepassen. In de jaren dat ik nog een jong kapelaan was, waren er in Zuid Limburg ,onder de seculiere clerus enkele zeer, merkwaardige figuren, die men echte "typen" kon noemen, zoals natuurlijk de grote Dr. Poels dan de pastoors Souren, Neujean, Oberjé, Schatten, Röselaers en Spierts. Mij boeide het meest pastoor. Spierts, omdat hij je" bij elke ontmoeting, steeds iets positiefs kon meegeven en indruk maakte door zijn groot optimisme.
Zijn groot en nuchter verstand had hem zeer duidelijk gemaakt dat zijn sterke levensdynamiek alleen zinvol en priesterlijk vruchtbaar zou kunnen worden, als hij ze, van een diepe godsdienstigheid liet uitgaan. Daarom was hij zowel binnen als buiten de kerk zeer devoot. Hij beleefde, wat hij deed; zijn dagelijkse meditatie kon hij niet missen en de rozenkrans, die hij elke dag bad, was z'n trouwe vriend. Op deze betonnen pijlers heeft hij z'n hele priesterleven opgebouwd en welk een priester-leven?
Voor de pastoor van Ars, die was uitgegroeid tot een onnavolgbare heilige, had hij een buitengewone verering en dat zegt ons alles. Toch nam pastoor Spierts hem als levensmodel. Als jongen van 6 jaar stond pastoor Spierts bij de lijkbaar van zijn, halve neef, kapelaan Lanckohr uit Bocholtz, opgebaard in het ”Panneschop" te Mechelen en. zijn spontane reactie was: "Zo wil ik ook sterven",
In 1908 begon hij zijn leven van zielzorger te Beegden, doch daar was voor de jonge explosieve, kapelaan Spierts veel te weinig werk en daarbij kwam, dat de vurige zuiderling in het stillere klimaat van Noord-Limburg volstrekt niet kon aarden. In 1911 verhuisde hij naar Nieuwenhagen. Daar zaten ze met een groot probleem. De oude kerk was veel te klein geworden; er moest een nieuwe komen. Doch het inmiddels sterk uitgegroeide Nieuwenhagerheide wilde ook een eigen kerk hebben en de strijd ging aan de gang. Voordat hierin een beslissing kwam van het bisdom zou de jonge energieke Spierts op zijn spontane manier deze kwestie gaan oplossen en op een eigen terrein, tussen beide plaatsen in. begon hij bomen om te kappen en voorbereidingen te treffen voor een grote gemeenschappelijke kerk. Nu zag mgr. Schrijnen in, wie die kapelaan Spierts was. Die bezat de kracht om midden in een soort rimboe waar nog niets was, iets zeer groots op te zetten.
BOUWPASTOOR
Kapelaan Spierts, die pas tien jaar priester was, werd als de jongste pastoor van het bisdom, benoemd tot bouwpastoor in Terwinselen. En nu krijgt de grote levensdynamiek van pastoor Spierts haar proportionele kans.
In Terwinselen, waar men juist begonnen was met de, ontginning van de staatsmijn Wilhelmina, stond praktisch niets. We hadden er de grote Terwinselerhof, enkele woningen voor beambten van de mijn, een kleine kolonie voor mijnwerkers en dan moest men tien minuten, lopen om aan de eerste huizen van Spekholzerheide te komen. Naast de mijn stond nog een kleine kapel gebouwd door de Staatsmijnen. Ik zie daar pastoor Spierts staan met zijn markante kop en vooruitziende blik, met de vraag aan :zich zelf: "Wat moet er nu hier allemaal komen? ' , Hij klimt op zijn fiets, zijn trouwe reisgezel, die hem tot vak voor zijn dood, overal naar toe bracht en rijdt, naar de eigenaar van de grote Terwinseler boerenhof en zonder cent op zak, maar met een geweldig Godsvertrouwen in z'n hart stapt hij er lachend binnen. Pastoor Spierts kon erg overuigend praten en daarom lukte het hem om maar even 12 ha grond te kopen. Meteen gaat hij er vaart in zetten. hij fietst naar Duitsland en haalt daar brikkenbakkers:. Haast . elke dag zien we pastoor Spierts, met zijn brikkenbakkers, zelf miljoenen brikken bakken, want hij .was heel wat van plan. Hij hangt de bedelstaf aan' z'n fiets en trekt naar de directies der mijnen, de besturen van de mijnfondsen en naar de grote boeren om geld en hij kreeg geld en veel geld. Als een machtige bouwheer staat hij midden op z'n groot terrein en gaat projecteren: in het midden komt een grote kerk, daar de pastorie, daar een grote dubbele school, daar de huishoudschool en omdat volgens hem in elke grote parochie een goede dokter thuis hoort, projecteert hij ook maar vast een grote dokterswoning. Architect Van Groenendaal geeft hij de opdracht om de plannen te maken voor de kerk; pastoor Spierts zal ze in eigen beheer gaan bouwen. Aan dit grote complex heeft pastoor Spierts later, nog toegevoegd twee kapelanies, 8 woningen, die hij verkocht aan de plaatselijke werknemende middenstand, om die ook een goede aànzet te geven, en een groot omgebouwd parochiehuis.
HINDERNISSEN GENOMEN
De huidige waarde van al deze gebouwen schat men op 2,5 miljoen gulden. Het kon pastoor Spierts niet vlot genoeg gaan, en als een of andere' instantie hem wilde. remmen liep hij er met een' boog om heen. Toen hij b.v. de kerk midden op z'n terrein gepland had, begon hij er van alle kanten wegen naar toe te trekken, de gemeentelijke leiding van Kerkrade wilde dat anders, pastoor Spierts trok zich daar niets van aan.
Toen pastoor Spierts zijn grote dubbele school op het Kerkraadse deel van z'n grote terrein wilde neerpoten, stiet hij weer op alle mogelijke tegenstand van bovengenoemde gemeente. Pastoor Spierts liet daardoor zijn tijdschema niet in de war brengen, de bouw van de school werd onmiddellijk begonnen op de Heerlense kant van het terrein want daar was men veel coulanter.
Op zijn kerk was pastoor Spierts trots, want die was nu eens echt zijn werk. Hij was er de uitvoerder van geweest en de bouwer, want vele dagen had pij met de troffel in de hand meegeholpen. En als hij op het einde van de week soms geen geld had om de lonen te betalen, klom hij maar weer gauw op' zijn fiets en z'n Godsvertrouwen verzekerde hem, dat hij dat geld wel zou vinden. In die tijd heeft hij vaak veel kritiek gekregen, ook van collega' s. Men lachte bv. om die school, die toch, veel te groot was. Pastoor Spierts lachte ermee en ging verder; hij was een visionair, die toen al zag, hoe groot z'n geliefd Terwinselen zou worden en hij kende het gezegde van een Duitse dichter, dat de wespen nooit aan de slechtste vruchten knagen.
Opeens hoort pastoor Splerts, dat de Staatsmijnen gaarne een botanische tuin hadden. Hij bedenkt zich niet, laat hem aanleggen en biedt hem in pacht aan de Mijn aan Zo was hij de bouwer van grote allure. Dat was hij ook als zielzorger. Al zijn parochianen kende hij door en door en daarom kon hij ze zo juist beoordelen en de aangepaste begeleiding, geven.
Vanaf z'n kapelaanschap tot bijna aan zijn emeritaat was de pastoor ook de zeer gewaardeerde secretaris van de vermaarde St.-Augustinusvereniging, van Heerlen en omstreken. Dat is het ontwlkkelings -en oriënteringsinstituut van de zielzorgers. Destijds was dr. Poels, Spierts grote vriend, daar voorzitter van en als hij dan zijn vaak wereldberoemde internationale vrienden daar liet spreken, was iedereen erg benieuwd, wat secretaris Spierts daarop ging zeggen.
Waar Spierts' hulp werd gevraagd gaf hij ze. Met dr. Poels trok hij rond' voor geld en om aandelen te plaatsen om het Limburgsch Dagblad op te richten.
Pastoor Schatten hielp hij bij de financiering van de' uitgave van zijn "Familieboek" van, onze tijd, dat later opnieuw werd uitgeven door pastoor J. Brouwers uit Banholt.
Zo kan men nog vele andere activiteiten van pastoor Spierts opnoemen, maar we zullen het nu maar hierbij laten. Had zulk een volledig bezette man nog tijd voor hobby’s?
Ofschoon zijn dag ging van ‘s morgens 6 uur tot ‘s avonds 12 uur zonder onderbreking door de bekende priesterlijk siësta, die overigens medisch zeer verantwoord is. omdat de dagtaak van de priester lang, en in onze, dagen, soms enorm zwaar is, had hij nog tijd voor allerlei Ievensopfleurende, bezigheden.
KUNSTMINNAAR
We noemen z'n liefde voor de kunst. In, zijn dagen begon Charles Eijck, als een soort avantgardist, zijn vruchtbare loopbaan als kunstschilder. Spierts trof hem in de kerk van Brunssum, waar Eijck bezig was. Spierts had iemand gauw door en in zijn doortastendheid sluit hij daar met Eijck een intieme vriendschap voor het hele verdere leven en geeft hem de opdracht om in z'n kerk te Terwinselen te komen schilderen. Eijck was toen nog jong en wist vooraf, dat er een storm van kritiek zou gaan ever z'n werk en daarom maakte hij zijn taferelen niet; rechtstreeks op de muren van de kerk maar op doek en wel in Parijs.Toen die grote doeken tegen de muren van de Terwinselse kerk waren geplakt, verhief zich geen storm van kritiek en spot maar een orkaan. Spierts lachte en schroefde zijn vastberadenheid nog wat vaster aan. Eijck moet blijven schilderen, nu op de muren der kerk zelf en dat heeft hij gedaan in verschillende periodes om te eindigen met net drieluik boven het hoofdaltaar 'bij gelegenheid van het 40-jarig priesterfeest van zijn grote vriend en protector.
Spierts had ook een grote liefde voor de mooie volkskunst en daarom gaf hij opdrachten aan de beeldhouwers A. en F. Nols en aan de mijnwerker-houtsnijder Nic. Dupr'ez.
ARHEOLOOG
De oudheid trok Spierts ook geweldig daarom ging hij zelf opgravingen doen op zoek naar Romeinse villa' s en wegen of spoorde bevoegde instanties daartoe aan.
Ik vind het zo aantrekkelijk, dat ieder mens, hoe groots hij ook uitgroeit, in zich toch een kind blijft ( en dat vinden we ook bij Spierts in ( z'n beruchte , Eburonenstrijd".
Spierts las veel en velerlei, hij las zelfs onder z'n maaltijden door. Op zekere dag ontdekt hij, dat in het 'jaar '54 voor Christus de Germaanse stam der Eburonen, die op de linker Maasoever huisde, de geweldige legioenen van de machtige Julius Caesar in holle wegen hadden verslagen, onder zijn aanvoerder Ambiorix. Daar moest Spierts meer van weten. De Duitse geschiedschrijvers beweerden, dat die slag was geleverd bij Niedeggen, de Belgische historici betoogden, dat dat was gebeurd bij Tongeren.. Spierts ging zelf op zoek naar resten van Romeinse legerplaatsen en even besluitvaardig als anders wilde hij dit historisch dispuut gaan uitmaken en zeker toen hij steun vond bij zijn latere vriend, de Luikse archeoloog prof. Hamal Nandrin.
Die beruchte veldslag was geleverd in het Moorsveld bij het gehucht Hontem tussen St.-Geertruid en Margraten in Zuid Limburg. En nu kon niemand pastoor Spierts meer ontmoeten of hij sprak hem over de veldslag van de dappere Eburonen bij Hontem.
Als slot nog iets over de grote invloed, die pastoor Spierts gehad heeft op de bekering van de Noorse schrijfster, Sigrid Undset. In Noorwegen was pastoor geworden oud kapelaan, de latere pastoor van Asselt, de priester-journalist Frans Krijn. Deze had in Noorwegen Sigrid Undset ontmoet en haar aangeraden om, als ze nu eens naar echte katholieke streken wilde gaan, naar Zuid Limburg te reizen en daar een bezoek te brengen aan pastoor Spierts te Terwlnselen. Uit die ontmoeting is een vruchtbare beïnvloeding gegroeid op- de toenmaals Lutherse Sigrid Undset, die haar mede gebracht heeft naar de Kath. Kerk.
In de nalatenschap van Spierts vinden we nu, naast de zeer leerrijke correspondentie met dr. Poels in z'n Zwitserse oorlogsballingschap een hele brief:wisseling van pastoor Spierts met Sigrid Undset.
Pastoor Spierts is gestorven. Deze grote bouwer begon zijn feitelijk priesterleven met de troffel en de hak en God heeft hem ook met de hak in de hand, die hij zo kundig voor Hem had gehanteerd, laten sterven. Niet ziek zijnde ging hij vaak, nu hij in zijn emeritaat was, met de hak naar zijn tuin en naast zijn hak hebben ze hem verleden donderdagavond dood gevonden. Hem, die zich geen rust gunde, had God nu voor goed ter ruste gelegd,om z'n grote priesterziel naar zich toe te halen in het eeuwige leven van de Drieëenheid.
Wahlwiller Jacq. Mullenders Pastoor
Uit een krantenknipsel gekregen van Mevrouw Spierts. Ze had vroeger de drogist op Terwinselen
,
JULIUS CAESAR LEED ZIJN GROOTSTE NEDERLAAG, VOOR 2000 JAAR IN ZUID-LIMBURG.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

In zijn voortreffelijke atlas van de westerse beschaving laat Dr. F. van der Meer Westeuropa beginnen met de jaren 28-51 vóór onze tijdrekening. Gedurende deze zeven jaren bracht de Romeinse veldheer Julius Caesar met een achttal gedrilde Romeinse legioenen en verdere hulptroepen het gebied tussen de Pyreneën en de Rijn gelegen, onder de Romeinse heerschappij. Met andere woorden ontnam Caesar ten koste van duizende mensenlevens, de vrijheid aan de Aquitaniërs in het zuiden, de Galliërs in het midden en de Belgen in het noorden, zoals Caesar ze onderscheidt. Het waren vrij beschaafde volkeren, die in het noorden uitgebreide landbouw en veeteelt beoefenden. Bij het begin van zijn actie tegen de Belgen schatte hij de gezamenlijk strijdkrachten op 296000. De Eburonen kwamen niet over de 10000 weerbare mannen. De Nerviërs boden de hardnekkigste tegenstand en leden ook de zwaarste verliezen. Deze en vele andere bijzonderheden over land en volk zouden ons onbekend zijn, had Caesar zelf niet dit alles neergeschreven in zijn Commentarii de Bello Gallico, d.i. zijn gedenkschriften over de Gallische oorlog. Deze liet Caesar verschijnen in hetzelfde jaar, waarin het veroverde gebied als provincie GALLIA bij het Romeinse rijk werd gevoegd, n.l. in 51 vóór Christus.
Wie Caesar was, zegt ons kort en bondig de uitgave van Oppen-Versmeeten, waar het heet “Julius Caesar scherpzinnig staatsman, beroemd veldheer, voortreffelijk geschiedschrijver en groot geleerde, is een der grootste genieën, waarvan de geschiedenis melding maakt. Zijn reusachtige geest omvatte elk gebied van wetenschap en alles wat hij ondernam, droeg de stempel van genialiteit”.
Wat Julius Caesar bewogen heeft zijn keurige, voor ons kostbare, gedenkschriften te doen verschijnen? In Rome groeide het aantal tegenstanders, die hem beschuldigden van willekeurig optreden, enz. Vooral moest hij het Romeinse volk verklaren, hoe het mogelijk was geweest, dat in het vierde jaar van zijn krijgstocht in een klein en onbeduidend land, op één enkele dag anderhalf legioen, algemeen geschat op 7000 man, verloren ging. Eén legioen, geworven bij de Po, was pas onlangs uit Italië aangekomen. Men kan de ontsteltenis begrijpen, toen in Rome de tijding binnen kwam, dat niemand van die mannen weer huiswaarts zou keren.
Caesar wist heel goed, dat elk Romein graag antwoord had op de vraag: hoe is dit kunnen gebeuren? Vandaar dat hij deze gebeurtenis zeer uitvoerig en waarheidsgetrouw heeft verhaald. Hij laat duidelijk uitkomen dat de schuld niet lag bij de soldaten. Die hadden zich dapper gedragen. De beide bevelhebbers Sabinus en Cotta hebben te goedertrouw gehandeld.
Cotta toonde zich als echte Romein met scherp inzicht en kloekmoedig in het gevaar. Sabinus was kortzichtig en verloor in het beslissende ogenblik gauw het evenwicht. De strijd begon na een slapeloze nacht, in een allerongunstigst terrein, geheel onverhoeds, terwijl een vriendschap veinzende koning met een medekoning alle voorzorgen genomen hadden, om het Romeinse leger te verpletteren, wat na een achturige strijd inderdaad geschiedde.
Ziehier in het kort het verhaal van Caesar zelf. In de herfst van 54 zond Caesar zijn legioenen in winterkwartier, niet dicht bij elkaar zoals anders, maar verspreid. Wegens de droogte was de oogst gedeeltelijk mislukt en kwam bij concentratie de voedselvoorziening in gevaar. In het land van de Eburonen moet de landbouw van betekenis zijn geweest, want Caesar liet er op één plaats 15 cohorten, d.i. anderhalf legioen soldaten, onderbrengen. Ambiorix had het leger bij de grens afgehaald en had verklaard, dat het gewenste graan al naar het winterkwartier was gebracht, dat in hun hoofd – ATUATUCA – zou worden ondergebracht. De Romeinen zagen in deze tegemoetkoming een geste van dankbaarheid jegens Caesar, die de Eburonen van de belasting der naburige Atutukers had bevrijd en die de beide gijzelaars – zoon en neef van Ambiorix – naar huis had gestuurd. Veertien dagen later overviel Ambiorix echter het kamp. Deze aanval mislukte evenwel, dank zij vooral de Spaanse ruiterij. Hierop verzon Ambiorix onmiddellijk een list, die wel lukte. Binnen drie dagen zou een groot leger van Germanen, de gevreesde Sugambren, die thans over de Rijn trokken, hier zijn. Hij ried de beide veldheren Sabinus en Cotta aan, zich naar het kwartier van Cicero – bij de Nerviërs – te begeven. Eerst na middernacht werd besloten na lang beraad in de vroege morgen te vertrekken. Na drie kwartier gemarcheerd te hebben door een open veld daalde het leger door een ravijnweg af naar een lang keteldat. Toen na de manschappen, ruiterij en bagage in het dal waren, viel een grote groep Eburonen, die zich in een verborgen grubbe had opgesteld, onverhoeds van achter aan en drong de Romeinen naar voren. Aan de andere zijde van het dal voerde een gelijke groep op dezelfde wijze een tegenaanval uit. Deze verhinderde de Romeinse soldaten naar boven te klimmen en de route te vervolgen naar de Maas. Aan de rechterzijde liep langs de vallei van twee en een halve kilometer, een steile bergheuvel met bomen en struikgewas begroeid, terwijl aan de zuid-oostzijde een bos meer geleidelijk dertig meter omhoog ging. Door dit bos waren verschillende grachten of grubben gegraven, waardoor de Eburonen ongezien in de vallei afdaalden. Dicht bij het einde waren brede ruimten geschapen, waar zich enkele honderd man konden opstellen voor een directe uitval.
Met de kennis van het terrein is het gemakkelijk de strijd te volgen zoals Caesar hem beschrijft. Hij begon tegen zeven uur in de morgen en duurde tot drie uur in de namiddag. Duizende Romeinen waren reeds gevallen, toen een tweetal met name vermelde Centurionen, T. Balventius en Q. Lucianius, de dood vonden en Cotta, die alle cohorten tot de strijd aanvuurde, door een slingersteen in het gelaat werd getroffen. Sabinus wist nu geen raad meer en trachtte nog voor zich en zijn soldaten genade te vinden bij Ambiorix. Met zijn stafcenturionen werd hij evenwel neergeveld. Cotta, die geweigerd had met een gewapend vijand te onderhandelen, viel in de strijd met de nog overgebleven manschappen. Een kleine groep wist al vechtende door te breken en bereikte nog het kamp. Daar ze vreesden in handen te vallen van de vijand, maakten ze ’s nachts onderling een einde aan hun leven.

Nadat de overwinning bevochten was, talmde Ambiorix geen ogenblik en reed met zijn ruiterij naar de Atuatukers en de volgende dag naar de Nerviërs, om hen over te halen thans het leger van Cicero te vernietigen. Het geluk heeft Caesar gediend, dat hij nog niet naar Rome vertrokken was, maar nog in Amiëns verbleef, anders zou hij wel niet als stichter van Westeuropa gelden. Dan was Ambiorix de grote vrijheidsheld geworden van het westen. Wat is hij nu ? Een vergetene, een onbekende bij zijn eigen volk. Terecht schreef de geschiedschrijver Nuijens: “Het is een fout van de meeste Noord-Nederlandse geschiedschrijvers, dat zij van Ambiorix weinig gewagen, terwijl Claudius Civilius zo zeer hun aandacht getrokken heeft. Ambiorix is de eerste geweest, die aan de spits van een Nederlands volk op Nederlandse grond voor de vrijheid van zijn vaderland als een held gestreden heeft”.
Wij delen zijn geloof niet waar hij verklaart: “Zo werd dan een dapper, manhaftig volk, dat zijn onhafhankelijkheid had willen verdedigen, van het aardrijk uitgeroeid”.
Als men Caesar goed leest, komt men tot een andere conclusie. Caesar zelf geeft ons in het zesde boek, hoofdstuk 29 tot 43 duidelijk te verstaan, dat hij niet veel Eburonen te pakken heeft gekregen. Hij noemt geen getallen van gevangen genomen “barbaren” maar somt wel op hoeveel mogelijkheden zij hadden om te ontsnappen. Grachten, grubben, groeven, holle wegen, landgraven, dit alles weeldrig begroeid, om van bossen, broeken en moerassen maar niet te spreken, maakten het onmogelijk aan de koenste vijanden, dit volk te vernietigen, dat op de bewuste oktoberdag getoond had, wat strijden is. Ondanks alle mogelijke inspanning is Caesar er niet eens in geslaagd, Ambiorix levend of dood in handen te krijgen.
Waar woonden de Eburonen ? Caesar zegt tussen Maas en Rijn. Dit is zeer vaag. Als het juist is wat Caesar aangeeft, dat het castellum Atuatuca in het midden van het gebied der Eburonen lag, komen we tot een gebied, dat in overeenstemming is met het bevolkingsgetal. Dan hebben de Eburonen het gebied bezet tussen de Maas, de Worm en de Vesdre, d.i. ongeveer het latere hertogdom Limburg. Voor dit gebied zijn kenmerkend de aangelegde holle wegen, die kilometers lengte als beveiliging vormen. De bevolking leefde verspreid op gehuchten, waar meestal door afgravingen, nivellering en beplanting met hagen een “aterwaat” of achterwacht ontstond. Het hoofdgehucht, waarop een net van grubben of holle wegen uitmondde, was het door Caesar als legerplaats ingerichte castellum Atuatuca.
Misschien heeft Caesar de volksnaam Eburonen overgenomen van de Atuatukers, wier hoofdstad “oppidum Atuatuca” was, het huidige Luik, die toen nog een plat dialect spraken en die hun buren over de Maas als “Noabure” bestempelden, zoals in een Limburgs dorp de bewoners van een paar gehuchten, die aan gene zijde van het bos wonen, als “Genziër” aangeduid worden.
De meeste Eburonen leefden van de landbouw en veeteelt. Ze vervaardigen hun stenen werktuigen zelf in de werkplaatsen of ateliers, die op 4 k.m. van hun hoofdgehucht en op 2 ½ k.m. van het slagveld verwijderd waren. Daar werden ook duizende werpstenen gehamerd, waarmee duizende Romeinen gedood werden.
Een van de beste kenners van het stenen tijdperk, J. Hamal-Nandrin, die gedurende vijftig jaar deze ateliers onderzoekt, laat deze industrie voor 7000 jaren beginnen.
Caesar laat hen staan onder de leiding van liefst twee koningen: Ambiorix en Catuvoleus. Dit gebeurt natuurlijk om indruk te maken op de Romeinen. In werkelijkheid was hij een boer, die zijn hoeve bezat dicht bij een bos, zoals Caesar ze zag. Het is vermoedelijk niet ver van het hoofdgehucht en van het slagveld af, waar de nog bestaande hinderlagen getuigen van zijn genialiteit. Caesar onthoudt hem de lof niet van goed aanvoerder, die tucht had onder zijn mannen, die terdege geoefend waren. Nooit werd een vijandelijk leger in een val gelokt, zo gevaarlijk als Ambiorix bereidde voor de legioenen van Caesar.
En nu de grote vraag: waar heeft het castellum Atuataca gelegen ? Waar werd de vernietigingsslag geleverd ?
In België, Frankrijk en Nederland houdt men in het algemeen Tongeren als het castellum Antuatuca van de Eburonen, terwijl men Huy of Namen beschouwt als de oppidum Atuatuca van de Atuatukers. In Duitsland voelt men er meer voor om Nideggen te bestempelen als het Atuatuca van de Eburonen en Tongeren als dat van de Atuatukers. In onze studietijd had onze leraar dezelfde opvatting en liet ons vertalen, hoe Ambiorix na de behaalde overwinning met zijn ruiterij onmiddellijk zich naar de naburige Atuatukers begaf, zonder een nacht en een dag te rusten van uit Nideggen naar Tongeren.
In de Heimatkalender van Kreis Jülich 1952 brengt professor R. Müller van de universiteit van Keulen een juiste verandering, door Luik in de plaats te stellen van Tongeren. Hij handhaaft Nideggen als het castellum Atuatuca en verklaart geschiedkundig Nideggen als eerste stad van Duitsland.
R. Tourneur in België verklaart in 1944 in zijn “Les Belges avant Caesar” nog, dat hem de ligging van het castellum Atuatuca onbekend is, hoewel een hele bibliotheek over dit probleem geschreven is.
Er is zelfs een boekje verschenen, waarin niet minder dan 27 plaatsen beschreven worden, waar het castellum gelegen zou hebben en in wiens nabijheid de grote slag geleverd werd.
Het wordt zoetjes aan tijd, na twee duizend jaar, voor goed een einde te maken aan die onzekerheid en Ambiorix bij zijn nageslacht in ere en dankbaarheid te herstellen als de grote en geniale strijder voor de vrijheid van zijn volk.
Toen men voor honderd jaar goed op weg was, om het raadsel op te lossen en iemand de goede oplossing gegeven had, heeft men het verder doodgezwegen. De schrijver van de uitgebreide Histoire du Limbourg, ex-kanunnik van Rolduc, M. Ernst, heeft veel aandacht geschonken aan dit vraagstuk in 1837. Hij laat de toen reeds in aanmerking komende plaatsen, zoals Aken, Julich, Rolduc, Valkenburg, Maastricht, Waroux de revue passeren en wijst ze alle af, tegelijk met Tongeren. Hij zoekt de plaats meer naar het oosten.
De geleerde Akense bibliothecaris Christiaan Quix in 1773 in Hoensbroek geboren zoekt in 1840 in zijn “Geschichte der Stadt Aachen” het Atuatuca der Eburonen in de opgraving van Keer.
Aan de Belgische douanier L. Caumartin, die enige jaren in een dorp niet ver van Visé heeft gewoond, komt de eer toe, het eerst van alle vorsers, het slagveld waar de legioenen van Caesar vernietigd werden, in alle finesses beschreven te hebben. We kregen hiervan kennis in het begin van dit jaar bij het lezen van een brochure van Cazimir Ubachs, gedrukt in 1887: “les Ateliers ou Station préhistoriques de St. Gertrude et Rijckholt”, die ons ter hand gesteld werd. Daarin werd verwezen naar het boekje van Caumartin: “Entre Liège et Mastricht, promenades dans les environs de Visé, Liège 1862”, dat we eind Juli van de Stadsbibliotheek van Maastricht ter inzage mochten ontvangen.
Ubachs deelt duidelijk de mening van Caumartin en haalt ook andere schrijvers aan, die het met Caumartin eens zijn o.a. Professor Blommaert in zijn aloude Geschiedenis der Belgiën; de Beierse generaal von Göler; de bataljonschef Sarette in “Quelques pages des Commentaires de Caesar, Paris 1863”. Deze toont eveneens aan met militaire bewijsstukken in de hand, dat HONTHEM het ATUATUCA is van Sabinus en Cotta.
In de zomerse paasweek op 17 april maakten we een fietstocht naar Honthem en keerden huiswaarts met de volle overtuiging: hier is het winterkwartier geweest van de vijftien cohorten van Caesar.
Een autotocht op Paasmaandag door de vallei van St. Geertruid had niet veel bevrediging geschonken. Hoe zou hier het slagveld kunnen zijn geweest ? Trouwens de afstand klopte niet met maten door Caesar aangegeven. Na bestudering van de kaart van de topografische dienst en Caesar herlezen te hebben, namen we als uitgangspunt hetgeen Caumartin aangeeft als: “Verder op ligt nog een gehucht Herkenraad genaamd”.
Op een late zondagnamiddag bracht ons enkele weken later een auto naar Honthem, waar de oude mannen herhaalden, wat honderd jaar geleden ook gezegd werd: hier moet vroeger een stad geweest zijn. We noteerden enkele straatnamen: Onderstraat, Bovestraat, Steeg, Lage Steeg, Hoëgesteeg, Niërsteeg, Kattestroat, Heerstraat. Verder de Kamp, Heibuukel en onder de Bów. Van hieruit volgden we de weg, die het leger van Sabinus en Cotta gevolgd was op de fatale oktobermorgen, langs Bruesterbos naar Herckenrade. Bij de holle weg gekomen, die naar de vallei voert, vroegen we aan een paar mannen, of deze weg te berijden was. Op het bevestigend antwoord vroegen we de naam van de weg: heerkoulenweg. Hij ging in de richting Libeek, hetgeen feitelijk Bloedbeek moest zijn. Nadat we ruim dertig meter gedaald waren zagen we het begin van de lange vallei, waarin het leger zijn ondergang vond. Deze keer waren we totaal voldaan. Al wisten we toen nog niet, dat hier van links de Geelkesgrubbe en de Heerstraat uitmondde, waar ettelijke honderd Eburonen verdekt opgesteld waren, die de terugweg afsneden voor de Romeinen, die het dal waren binnengetrokken. Eerst een wandeling door het hele dal met een kaart in de hand laat de gebeurtenis herleven. Hierbij is Caumartin een waardevolle gids.
In het voorwoord van een herdruk wijst hij erop, hoe zijn “Wandelingen in de omstreken van Visé” weergeven, wat hij op herhaalde lange, Zondagse wandelingen, gezien en overdacht heeft, met benutting van de kennis uit geschriften opgedaan. Hij heeft de nieuwe uitgave afgesloten met ondankbaar werk, dat lange en gewetensvolle onderzoekingen op dit terrein van hem gevergd heeft. Daaarom zullen de gebeurtenissen in de vallei van St. Geertruid niet de minst interessante van het boekje zijn
Van groot belang hierbij is aanstonds, dat men in dit keteldal geen river of beekje ontmoet, zoals dit bij al de andere mededingers naar de historische plaats het geval is. Caesar heeft met geen enkel woord melding gemaakt van een beek of rivier. Dit zou hij zeker gedaan hebben als zij er was geweest.
Wat de veldslag zelf betreft, deze heeft bij de bevolking ter plaatse een blijvende overlevering bewaard, zoals nergens anders gebeurd is. Als we voorop zetten, dat de Eburonen niet zijn uitgeroeid, maar ter plaatse gebleven zijn, maar evenals de Atutukers en andere stammen, die om hun tegenstand bij de Romeinen in een slecht blaadje stonden en een andere naam b.v. Tungri hebben aangenomen, dan hebben ze ook vermeden de naam Romein te gebruiken bij de plaatsen, die voor de Romeinen een onaangename klank hadden. Is het te verwonderen, dat ze telkens Noren hebben gezegd, waar ze Romeinen bedoelden.
Ziehier enkele plaatsnamen: Midden in het strijdgebied ligt Dommelgraaf, Bloedgraaf, Kummekesgrub, Hobesgrub, Genoëbes, Gebrande Grebbe, Rombosch, Rondiele, Hörke, Dommelsberg, Hakkeknoep, om met Witgrub en Kieskamp te eindegen.
Bleef een en ander onbekend in Limburg ? Geenszins. In de eerste jaargang van de Publications de la Société d’Archéologic dans le duché de Limbourg in 1864 verschenen, wordt in twee artikelen de kwestie van Atuatuca en de veldslag behandeld. Het ene is van de hand van L. Caumartin en heet: Souvenirs de Promenades à Gronsveld. Daarin pleit hij nadrukkelijk voor Honthem als het Atuatuca van Sabinus en Cotta.
Het andere is van de secretaris van het Genootschap, Jos Russel, die handelt over Atuatuca en Coriovallum. Het is in hoofdzaak een weergave van de beschouwingen door Caumartin in zijn meergenoemd boekje gegeven. Hij is het in alles blijkbaar eens en deelt diens mening aangaande Atuatuca en de veldslag in de vallei van St. Geertruid. In plaats van nu te concluderen, er behoeft niet verder meer gezocht, we kennen nu met zekerheid die plaatsen, besluit hij aldus: “Men begrijpt gemakkelijk, dat deze kwestie die al zovele geleerde schrijvers heeft bezig gehouden, helemaal nog niet is opgelost, maar dat tal van redenen er voor pleiten, Atuatuca in onze nabijheid te zullen vinden”.
Ongelukkigerwijs heeft Russel de tweede uitgave blijkbaar niet gekend, want dan zou hij het citaat van Caumartin niet meer hebben gegeven, dat thans misschien andere van verder onderzoek heeft afgehouden. Het luidt: “Ik zou derhalve niet ver af zijn te geloven, dat de werken in de vallei van St. Geertruid inderdaad de hinderlagen zijn van de Eburonen, en dat deze vallei aldus is de diepe bergpas, waardoor toen zoals thans de route liep”.
De tweede uitgave eindigt met deze dichterlijke ontboezeming: “Hoe vaak was deze vallei het doel van mijn wandelingen. Al wandelend schetste ik mij dit verschrikkelijke toneel en bloedbad. Soms verraste ik mijzelf, terwijl ik luisterde en mijn blik richtte naar het diepe bos, verwachtende een Eburoons strijder te voorschijn zien komen. Ik erken hardop gedacht te hebben: “Kom op schim van Ambiorix En gij dappere Cotta, waar zijt gij gevallen ?” Maar geen antwoord kwam op mijn stem. De avondwind streelde zacht de boomtoppen en als eenzame wandelaar joeg ik haas of merel op in deze eenzaamheid. “En gij, Caesar, had ge in Rome vertoeft en niet in Amiëns, alle kwartieren van Uw legaten zouden achtereenvolgens vernietigd zijn geworden en er nauwelijks een man overgebleven zijn om U in Italië de tijding te brengen van een onnoemelijk onheil “.
Andere hebben die ontboezemingen wel gelezen en de schouders opgehaald. De wetenschap is van geen dichters gediend en vraagt nuchtere feiten. De mannen der wetenschap in Limburg gaven een vernietigend antwoord en zwegen de zaak dood. Dit jaar zal het 88ste deel van de Publications verschijnen en telt de Maasgouw haar 71ste jaargang. In 88 jaar is naar ons weten in het land, waar de grote nederlaag van de veroveraar plaats vond, nauwelijks iets over Ambiorix en Caesar gepubliceerd.
Waarom heeft nooit iemand de vraag gesteld: waar liggen de duizende Romeinse soldaten begraven ? Deze vraag hield ons van meet af aan bezig.
Zoals de Amerikanen in de onmiddellijke nabeiheid van het Atuatuca van de Eburonen hun doden begroeven, hebben ook de Romeinen er werk van gemaakt, hun gesneuvelde kameraden te begraven. Enkele boven vermelde namen doen aan graven en tomben denken. Ook de Eburonen, die in de strijd vielen, vroegen een graf. Hebben deze misschien hun graf gevonden op de zeven heuvelen ? En rusten de Romeinen aan de Westzijde gevallen, daar ook in de buurt ? Zouden Cotta en Sabinus niet rusten in de tombe, welke zich in de Hakkenknoep bevindt ? Rusten andere legeroversten in de tomben, die gedeeltelijk geslecht, in de vallei zelf liggen ? Een groot deel van de legioenen zal wel aan de Oostzijde zijn gevallen. Waar vinden we deze. Een daagse fietstocht bracht ons uitkomst. Bij een oudere bewoner in Libeek informeerden we of in de buurt niet een opvallende heuvel te vinden was. En jawel, niet ver af in een grubbe was zoiets te zien. Hij zond een zoon mee als gids. Na de grubbe een halve kilometer gevolgd te zijn, stonden we plotseling voor een met struikgewas begroeide heuvel. Links en rechts was hier de grubbe verbreed. Het was duidelijk, hier was duidelijk de gezochte grafheuvel. Hij heeft een lengte van 100 meter en wel een 3000 kubiek meter inhoud. Op 17 juni werd met de hulp van een paar deskundigen een proefsleuf gemaakt van 60 cm. breedte. Eerst op 1.30 m. diepte vonden we in de leem de afdruk van hoofd en borst van een Romein, liggend op een kiezelbed en een makker naast zich. Als legitimatiebewijs hadden ze een paar scherfjes met randje van een drinkbeker meegekregen.
Een boer, die ons aan het werk had gezien, vroeg later of we de legerkunstschat zochten, die hier volgens de volksmond zou zijn begraven.
Op 20 juli ontdekten we een tweede grafheuvel. Die meer dan de dubbele afmeting had gehad, maar voor de helft is geslecht.
Hiermee is elke twijfel aangaande de plaats van het slagveld weggenomen. We weten met zekerheid, dat de vallei tussen Herkenrade, Moorslag en Libeek de getuige is geweest van de felste vernietigingsslag van de oudheid in Westeuropa.
Aan het Genootschap is thans het initiatief overgelaten om verder onderzoek te stimuleren op een uitgebreid terrein, dat nog heel braak ligt en goede resultaten belooft. Een afzonderlijke provinciale dienst zou geen weelde zijn.
Het gehucht Honthem is het lang gezochte ATUATUCA of ATERWAAT van de Eburonen, dat Caesar liet vergroten tot Romeinse legerplaats in 54. Het zou dat jaar slechts twee weken dienst doen. In de lente van het volgend jaar kwam Caesar zelf met een drietal legioenen terug om de verfoeide barbaren uit te roeien. Hij trof zijn soldaten in zulk een angst in dit ongeluksoord, locus nafastus, dat hij besloot het onmiddellijk te verwoesten. Hoe gunstig het ook gelegerd was, hier zou geen Romeins soldaat meer geaard zijn. De volkstraditie aangaande een stad, die hier zou geweest zijn, is overgenomen van geleerden die naar een stad zochten, omdat ze Caesar niet of slecht gelezen hadden.
In Ambiorix heeft de geniale Caesar zijn man gevonden, die hem stond. Deze rijk begaafde man vol idealen en dadendrang wist niet slechts zijn land vruchtbaar te maken, maar wilde ook zijn gaven in dienst stellen van zijn volk, wanneer zijn vrijheid bedreigd werd. Hij had zijn plan klaar en voorbereid ook, toen hij de vrijheid wilde veroveren. Na de glansrijke overwinning op een sterk en geoefend leger, na een slapeloze nacht, gaat hij zonder een minuut noch seconde te dralen op weg om elders zijn slag te slaan. Mislukt dit dan verliest hij de moed niet en blijft de leider van zijn volk. Overvalt Caesar zelf hem dan ontglipt hij hem telkens. Na wekenlange achtervolging met al zijn legioenen moet Caesar erkennen, dat het vruchteloos is geweest.
De geest van Ambiorix sloeg over op zijn volk. Ook zij waren onvindbaar of niet te genaken. Als Caesar tenslotte zegt dat de Eburonen uitgeroeid zijn, gelooft hij het zelf niet. De Eburonen zijn niet uitgestorven, ze leven nog voort In Zuid-Limburg. Nadat de bezetter het land verlaten had, hebben ze hun zelfstandigheid weer weten te herwinnen en te bewaren tot aan de opheffing van het hertogdom Limburg, dat ongeveer het oude gebied der Eburonen dekte.
Nadat de Eburonen door Servatius het Christendom leerden kennen, hebben ze hun daden daarop ingesteld en een cultuur opgebouwd, enig in de wereld. Hoe vaak is Zuid-Limburg het toneel van strijd geweest; hoeveel ketters hebben er hun kans beproefd; de Eburonenaard verloochende zich niet. Nooit is het gevaar voor verlies van oude aard zo groot geweestr als thans, nu een geest van materialisme vaardig wordt vooral bij de jeugd. Mogen de vele kunstenaars, met Eburonen bloed of niet, Ambiorix deze grote vrijheidsheld, een levensideaal voor de bedreigde jeugd laten herleven, om vrij te bewaren het ware en goede, dat ze van de vaders erfden.
H. S.
H.S. staat voor Hubert Spierts.
Geboren op 13 augustus 1882 in Mamelis.
Priester gewijd in 1908.
Pastoor in Terwinselen van 1918 tot 1958.
Overleden op 10 augustus 1961 in St. Geertruid.
Verwoed amateur-archeoloog en kunstkenner.
Bewerkt door: Pierre Delnoij. Docent lagerschool Terwinselen en huishoudschool Terwinselen.
Deze bijdrage is van Hub Beckers die in de Hubertuslaan woonde van 1933 tot 1946
In de oorlogsjaren waren de misdienaars ook als een soort vereniging zeer actief.
De leiders waren Niek Werker van de Rukkerweg en Piet Engels uit de Hubertuslaan (de latere Staatssecretaris van Onderwijs).
Behalve het instuderen van de moeilijke Latijnse teksten die ik nog altijd van buiten ken, moesten ook de Drieherige Hoogmissen ingestudeerd worden, waarbij voor de misdienaars veel te doen viel.
De misdienaars die het hoogst in de hiërarchie stonden: Niek Douven en Leo(?) Ploum, mochten met het wierookvat zwaaien, de aanspanners mochten gedurende de hele mis met een kandelaar met brandende kaars opzij van het altaar zitten. Ook voor de hoogdagen moest flink worden geoefend. De jaarlijkse processie was steeds weer indrukwekkend. Ook begrafenisdiensten waren hoogst interessant omdat we dan niet naar school hoefden tot na het speelkwartier. In de paasweek werden na het Gloria op Witte Donderdag de ratels gebruikt i.p.v.de bellen. In die zelfde week mochten we met de ratels langs de deuren gaan om bij de parochianen paaseieren op te halen. Ook gingen we samen op stap. Op een platte wagen met een boerenpaard ervoor gingen we al zingend naar het Vijlenerbos Daar werd dan een spannende zoektocht gemaakt en werden de meegebrachte boterhammen, een weckglas met koude schotel en een fles priklimonade van Hamers-Beckers uit Simpelveld verorberd.
Wat een tijd!!!
Hieronder een tweede verhaal van Hub Beckers
Misdienaar in Terwinselen van 1942 -1946
Mijn naam is Hub Beckers. Mijn ouders woonden samen met uiteindelijk 8 kinderen van 1932 -1946 in de Hubertuslaan 17 in Terwinselen. Mijn vader, Jo Beckers was Chef van het Kolenlaboratorium van de Staatsmijn Wilhelmina.
In 1946 hebben we Terwinselen verlaten omdat mijn vader overgeplaatst werd naar het Centraal Proefstation van de Staatsmijnen in Hoensbroek op de terreinen van Staatsmijn Emma.
Ik ben in 1933 geboren en heb de kleuterschool bij respectievelijk zuster Gilda, zuster Theofilis en zuster Oresta doorlopen en de lagere school bij juffrouw Haenen,juffrouw van Montfort, meester Hoepermans, meester Smeelen, meester Toussaint en meester Bours het hoofd van de jongensschool.
Tijdens de eerste klas van de lagere school, 5 dagen na mijn eerste communie brak de 2de wereldoorlog uit.
In de derde klas bij meester Hoepermans werd ik uitverkoren om misdienaar te worden. In die tijd was Hubert Spierts pastoor en de kapelaans waren Pfennings en Peeters.
De misdienaars kregen een gedegen opleiding van Piet Engels ( de latere Staatssecretaris van Onderwijs) uit de Hubertuslaan en Niek Werker uit de Rukkerweg.
De praktische en theoretische opleiding duurde enkele weken. Vooral de Latijnse teksten (die ik overigens nu nog vlekkeloos van buiten ken) zonder fout leren opzeggen viel niet mee.
Het allereerst een mis mogen dienen was een grote gebeurtenis. Je begon als ”linkse”misdienaar, die had nog niet zoveel verantwoording, in een stille mis door de week om 6.30 of 7.00 uur.
Om 7,45 uur was elke dag ook nog een mis, vaak een gestichte jaardienst met orgelmuziek en Gregoriaans, uitgevoerd door de koster Lejeune, die hard moest rennen om van de sacristie op tijd op het doksaal te zijn.
De Hoogmis op Zondag begon met het “Asperges me”, of in de Paastijd het ”Vidi Aquam”, waarbij je voor de priester uit met de wijwaterspot tot achter in de kerk en weer terug moest lopen.
Ik herinner me nog heel goed die koude winterdagen, dat je om 6.00 uur je warme bed uit moest, wassen en aankleden in een steenkoud huis, zonder eten of drinken, te voet naar de kerk, alleen in het donker. Ook de kerk was steenkoud. Voor de mis moesten we van de koster de kaarsen aansteken op het altaar, nadat we onze togen en superplies hadden aangetrokken.
Tijdens de mis moest je goed oppassen dat er niks verkeerd ging: je gebeden op tijd en in de goede volgorde opzeggen, het kussen aan de voet van het altaar tijdig wegpakken en terugleggen, tussen epistel en evangelie het boek omdragen zonder te struikelen of, nog erger, te vallen, op de juiste tijdstippen te bellen, de ampullen met water en wijn aandragen bij de offerande, en daarna het doekje en het water bij de handwassing en later na de communie nog eens.
Onder de misdienaars bestond een strenge hiërarchie, De nieuwkomers hadden in ieder geval niets te vertellen. In het eerste jaar kwam je tijdens een plechtig lof of een plechtige hoogmis niet verder dan als kandelaardrager gedurende bijna de hele dienst opzij van het altaar (twee tegenover twee) te zitten, doodstil en met een plechtig gezicht. De hoogste in de pikorde mocht altijd met het wierookvat zwaaien. In mijn tijd waren dat Niek Ploum en een zekere Douven (de rooie).
Geweldig imposant waren de Drie Herenmissen met wel 10 a 12 misdienaars, Daar werd dagenlang op geoefend o.l.v. de eerder genoemde Piet Engels en Niek Werker. Zij zorgden ook voor de taakverdeling, zeg maar opstelling.
Al het koperwerk, wierookvaten, bellen, scheepjes, kandelaars en de wijwateremmer, kregen we mee naar huis om te koperpoetsen. Bij de zusters werden de superplies gewassen en gesteven, plooitje voor plooitje. De rode togen werden uit de mottenballen gehaald en aangepast.
Buiten de normale groep misdienaars, werden ook de misdienaars van de kapel van het zusterklooster soms ingeschakeld, Harry Mulders + en Loek Engels (broer van), beiden uit de Hubertuslaan. Zij dienden normaal alleen bij de zusters waar pastoor Keybets in emeritaat de dagelijkse mis las.
Ook de processie op kermiszondag was voor ons een imposante gebeurtenis, tot dat de bezetters deze verboden.
Ook herinner ik me de eerste mis van Theo Bours zoon van ons hoofd van de school. Wat een geweldige gebeurtenis voor onze parochie.
Zo ook de dood en begrafenis van emeritus pastoor Keybets, eerder vernoemd,
Deze Keybets was een neef van pastoor Spierts en familie van de Keybetsen van de Winselerhof.
Interessant waren voor ons ook de begrafenismissen door de week. Dan hoefden we pas na de dienst naar school. Wat een privilege!
De Kerstviering was ook steeds bijzonder. Eerst de plechtige Nachtmis, direct gevolgd door nog twee stille missen, waarin door her volk kerstliederen werden gezongen. Dit begon om 4 uur in de morgen en duurde minstens 2 uur. Tegen zessen kwam je dan eindelijk thuis, hongerig, dorstig en stijf van de kou, Lekker in de warmte en gezelligheid van het huisgezin in kerstsfeer.
In het voorjaar had je de Kruisdagen, waarbij gedurende drie ochtenden al biddend en zingend door de velden werd getrokken van het nog tamelijk landelijk Terwinselen.
In de mei- en oktobermaand was elke avond lof, (evenals elke Zondag-namiddag).
Die sfeer in de kerk tijdens het lof voel ik nu nog.
Ook de paasweek was enorm druk. Vanaf witte Donderdag t/m Paasmaandag waren we dagelijks aan de bak, 5 dagen aan een stuk. Op Witte Donderdag, na het plechtige Gloria met klokgelui en continue bellen, werden i.p.v. de bellen de ratels gebruikt, elk jaar weer een lugubere ervaring.
Vooral de zaterdag moesten we heel vroeg uit de veren, om 5 uur begon de wijding van het licht, het vuur en het doopwater.
In de paasweek gingen de misdienaars naar oud gebruik met de ratels langs alle huizen van de parochie om eieren of geld op te halen
De eieren gingen naar de armen, het geld mochten we houden om onze jaarlijkse uitstap te financieren. (zie foto)
Bij een boer in de omgeving werd dan een knol met platte wagen gehuurd en daarmee trokken we al zingend naar b.v. het Vijlenerbos om daar te wandelen, spelletjes te doen en te picknicken.
Al deze ervaringen en anekdotes moeten geprojecteerd worden op de oorlogsjaren waarin we leefden, met vele nachten vol angst, biddend, in de kelder, koud en vochtig, slaperig en terugverlangend naar het warme bed. Het steeds groter wordend gevaar, de fanatieke druk van de bezetter op de bevolking, gepaard gaande met een steeds lagere levensstandaard, door gebrek aan kleding, schoeisel en voeding. Gelukkig was het einde van de oorlog in zicht.
Op Zondag 21 september 1944 diende ik bij pastoor Spierts de hoogmis om 10 uur. Nog voor de mis was gedaan, kwam er iemand de kerk binnen gestormd, al roepend:”We zijn bevrijd, de Amerikanen zijn er” Ik weet niet meer hoe die mis is geëindigd, wel weet ik dat ik enkele minuten later met toog en al voor het huis van dokter Michels stond, op het muurtje, naast de vlaggenmast, waar de rood-wit-blauwe vlag al wapperde, ter verwelkoming van de naderende Amerikanen. Plotseling werd er geschreeuwd: “de Duitsers komen terug”. Inderdaad, vanuit Onderspekholz hoorde ik ze schieten. Als een razende heb ik toen de vlag van dokter Michels gestreken, onder mijn toog gestopt en achter het muurtje dekking gezocht tegen enkele in het wild schietende Duitse pantserwagens, die door de Schaesbergerweg via de Tunnelweg richting Strijthagen reden.
Ik ben van mijn leven nog nooit zo bang geweest, biddend dat me niets zou overkomen. In de Tunnelweg zijn toen wel slachtoffers gevallen. Ik meen dat toen zelfs een jongen Schlicher is doodgeschoten, nota bene op de voor ons allerlaatste dag van de oorlog.
Direct na de oorlog werd de hele jongens- en meisjesschool door de Amerikanen omgebouwd tot een groot militair hospitaal. De velden van RKTSV en de weilanden er om heen, die weer aan onze tuin grensden, werden een groot tentenkamp voor de militairen en parkeerplaats voor hun voertuigen. Twee trimesters zijn we niet naar school geweest. In plaats van gewone misdienaar in de parochiekerk werd ik misdienaar van de legeraalmoezenier van het ziekenhuis.
Al bij al een prachtige tijd voor een vrijbuiter als ik. Nauwelijks elf jaar, geen school, de hele dag buiten tussen de militairen, vooral in hun keuken, bietsend en kattenkwaad uithalend, dingen lerend waarvoor we eigenlijk nog niet rijp waren, maar spannend was het wel. Een jongensparadijs.
Maar aan alles komt een einde. Met Pasen 1945 gingen we voor nog een trimester naar school en was mijn Lagere Schooltijd gedaan.
Daarna vetrok ik naar Rolduc, in mijn ogen ver van huis en haard, waar ik nooit meer zou terugkeren omdat mijn vader werd overgeplaatst naar Staatsmijn Emma in Treebeek.